Is de ontwerper bij fout automatisch aansprakelijk voor een meerkost?

7 september 2017

De finale kostprijs van een project kan al eens hoger uitvallen dan wat aanvankelijk geraamd was. De bouwheer gaat er vaak van uit dat de architect voor die onvoorziene kosten moet opdraaien. Dit is echter niet altijd het geval. Vaak gaat het immers om een uitgestelde bouwkost. Wat dat precies inhoudt en wie die meerkost betaalt, ontdekt u in dit artikel.

 

Een regelmatig voorkomend probleem waarmee verzekerden, zowel architecten als ingenieurs, worden geconfronteerd, is dat de finale kostprijs van de werken hoger uitvalt dan aanvankelijk geraamd was.

Dit kan het gevolg zijn van beslissingen die in de loop van de uitvoering genomen worden (bv. een bouwheer die een duurder materiaal wenst dan voorzien of die bepaalde werken bestelt die niet tot het oorspronkelijk ontwerp en dus de prijsraming behoorden, zoals de bouw van een carport). Die hogere kostprijs kan ook liggen aan het vergeten of niet goed inschatten van de juiste hoeveelheden die nodig zijn voor de oprichting van het project of aan de aanpassing van een ontwerp in de uitvoeringsfase waardoor er extra kosten gemaakt moeten worden.

In de laatste twee gevallen wordt vaak in de richting van de ontwerper gekeken en wordt zijn aansprakelijkheid in vraag gesteld. De vraag die men zich daarbij echter zelden stelt is: kan de ontwerper wel verantwoordelijk gesteld worden voor deze meerkosten?

 

Wat is een uitgestelde bouwkost?


De bouwheer gaat er vaak van uit dat hij bij een meerkost – die afwijkt van de oorspronkelijke raming en niet te wijten is aan zijn eigen beslissing om een meerbestelling te doen – sowieso schade lijdt die hij kan verhalen op de aansprakelijke bouwpartner(s). Dit is echter niet het geval. In vele gevallen gaat het immers om een uitgestelde bouwkost.

              

Een uitgestelde bouwkost is een kost die niet was voorzien, maar toch noodzakelijk is voor de realisatie van een bepaald project en in die zin ook inherent aan het project op zich. Onderstaande voorbeelden verduidelijken het begrip.

  • Een eerste voorbeeld betreft de onderschatting van de hoeveelheid van een bepaalde post. Stel dat in de meetstaat 50 m² vloerbetegeling wordt voorzien, maar bij uitvoering blijkt dat 100 m² moet worden uitgevoerd. Die 50 m² extra kan dan worden aanzien als een uitgestelde bouwkost.
  • Een ander voorbeeld betreft een post die niet in het lastenboek noch in de meetstaat was voorzien. Tijdens de uitvoering blijkt dat betonnen keerwanden moeten worden geplaatst om een oprit naar een garage te kunnen realiseren. Met deze post was bij aanvang geen rekening gehouden, maar zij is wel noodzakelijk om het project te realiseren.
  • Tijdens de uitvoering kan het ook dat een bepaald materiaal noodgedwongen gewijzigd dient te worden. Bijvoorbeeld: in een verzorgingstehuis moeten de deuren een minimale brandweerstand hebben. Indien deze deuren bij aanvang niet voorzien werden, maar de fout ‘tijdig’ wordt ontdekt, dan zorgt het verschil van kostprijs tussen de duurdere deuren (met de hoge brandweerstand) en de initieel voorziene deuren, voor een uitgestelde bouwkost.

 

Wie betaalt de uitgestelde bouwkost?


De bouwheer denkt vaak dat de ontwerper moet opdraaien voor zo’n uitgestelde bouwkost. Het is echter niet omdat de ontwerper een fout maakt door een bepaalde kost niet te hebben voorzien, dat die meerkost hem automatisch ten laste kan gelegd worden. Er dient een causaal verband te worden aangetoond tussen de fout en de meerkost. Als blijkt dat de meerkost sowieso betaald zou zijn indien de fout bij aanvang niet gemaakt was, dan spreekt men niet van schade, maar van een uitgestelde bouwkost. De bouwheer had deze kost sowieso moeten betalen, ook als de ontwerper de fout niet had begaan.

          

De bouwheer kan in sommige gevallen dus wel aantonen dat de ontwerper een fout heeft begaan – aangezien hij met een bepaalde post geen rekening heeft gehouden en dit redelijkerwijze wel had moeten doen –, maar die fout heeft niet noodzakelijk een schade tot gevolg waarvoor de ontwerper dan aansprakelijk is.

Men dient zich altijd de vraag te stellen of de bouwheer de kost niet sowieso had moeten dragen, aangezien ze wel noodzakelijk is om het project te realiseren. Indien dit zo is, kan alleen de bouwheer instaan voor deze meerkost. Als men het causaal verband tussen fout en schade niet onderzocht, zou de bouwheer zich onrechtmatig verrijken in die zin dat hij dan een vergoeding krijgt voor een werk dat voor hem een meerwaarde (realisatie) van zijn project inhoudt. Het is niet de bedoeling dat de ontwerper voor deze kost opdraait en aldus het project van de bouwheer financiert.

 

Kan elke meerkost ten gevolge van een vergetelheid gekwalificeerd worden als een uitgestelde bouwkost?


Hoewel de ontwerper dus niet kan optreden als financierder van het project en nooit kan instaan voor de uitgestelde bouwkost, is het niet ondenkbaar dat zijn ontwerpfout bijkomende gevolgen heeft die niet als een uitgestelde bouwkost kunnen worden beschouwd en waarvoor hij wel aansprakelijkheid draagt.

Nutteloze meerkosten die het rechtstreeks gevolg zijn van een fout of tekortkoming kunnen wel gekwalificeerd worden als een schade waarvoor de ontwerper aansprakelijkheid draagt. Het gaat dan uitdrukkelijk om uitgestelde bouwkosten die niet inherent zijn aan het project op zich.

           

Stel bv. dat een ingenieur technieken een koelgroep voorziet met een vermogen van 50 kW. Er was echter een koelgroep met een vermogen van 100 kW nodig, waardoor er een bijkomende installatie met een vermogen van 50 kW moet worden aangekocht en geplaatst. Het is niet onwaarschijnlijk dat de aankoop en afzonderlijke plaatsing van twee installaties met elk een vermogen van 50 kW duurder uitvallen dan één installatie met een vermogen van 100 kW. De fout van de ontwerper (het initieel voorzien van 50 kW in plaats van 100 kW) heeft dus een nutteloze kost tot gevolg.

Een ander voorbeeld uit een schadedossier betreft de plaatsing van toiletten nabij de cafetaria van een rusthuis. In een eerste ontwerp was een verbinding voorzien tussen de nieuwbouw en het bestaand gebouw waarbij de toiletten van dat gebouw gebruikt zouden worden voor de nieuwbouw. Bij verdere studie van het ontwerp werd die verbinding weggelaten en vergat men nieuwe toiletten te voorzien, waardoor het zorgagentschap de ingebruikname weigerde. De toiletten moeten dus alsnog geplaatst worden. De toiletten en de plaatsing vormen een uitgestelde bouwkost die sowieso betaald moest worden. De aanpassingswerken om de toiletten in de nieuwbouw te plaatsen zijn echter nutteloze kosten die niet betaald moesten worden als de ontwerpfout niet was gemaakt.

Bovenstaande voorbeelden kunnen dus wel beschouwd worden als schade t.g.v. een ontwerpfout waarvoor de ontwerper aansprakelijk is en die desgevallend op hem kan worden verhaald.


Conclusie


Wordt de bouwheer in de loop van het bouwproces geconfronteerd met kosten die vooraf niet waren ingecalculeerd, dan moet de ontwerper hier niet automatisch financieel voor instaan.

Als het gaat om kosten die de bouwheer sowieso had moeten dragen om het project in kwestie te realiseren, dan vormen zij een noodzakelijke bouwkost en een meerwaarde voor het project. Een ontwerper kan zonder causaal verband niet worden veroordeeld tot betaling van een uitgestelde bouwkost – hij is immers geen investeerder of financierder van het project.

Moeten er toch bepaalde kosten worden betaald waarvan kan worden aangetoond dat zij in causaal verband staan met de door de ontwerper gemaakte fout, dan kan diens aansprakelijkheid in vraag worden gesteld. De bewijslast ligt uiteraard steeds bij de vermeende schadelijder. Die moet aantonen dat hij effectief een schade lijdt in causaal verband met een begane fout of tekortkoming.

 

Tom Cromphout
Jurist studiedienst

 

 

terug naar overzicht