Facultatieve / verplichte toevoeging van V&G-documenten bij een offerte

Het gewijzigde art. 30 van het KB van 25/01/2001 betreffende Tijdelijke of Mobiele Bouwplaatsen 7 september 2016

Artikel 159 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren wijzigde de voorschriften rond de Veiligheids- en Gezondheidsdocumenten in het kader van overheidsopdrachten. De vraag is waarom die wijziging zo weinig wordt gebruikt.


Het KB van 25 januari 2001 betreffende de Tijdelijke en Mobiele Bouwplaatsen bepaalt dat wie een bouwplaats met minstens twee aannemers wil opstarten, verplicht een Veiligheidscoördinator-Ontwerp moet aanstellen die o.a. het veiligheids- en gezondheidsplan opstelt. Het V&G-plan moet in het bestek worden opgenomen en maakt conform art. 30 van het KB van 25 januari 2001, gewijzigd bij KB van 19 januari 2005, deel uit van de opdrachtdocumenten van overheidsopdrachten. Volgens het vroegere art. 30 van het KB Tijdelijke en Mobiele Bouwplaatsen moesten de inschrijvers van overheidsopdrachten de volgende twee documenten bij hun offerte voegen:

  • 1° een beschrijving van de wijze waarop de maatregelen in het V&G-plan zullen worden nageleefd;
  • 2° een afzonderlijke prijsberekening van de preventiemaatregelen.

In de praktijk is echter gebleken dat het weinig zin heeft om de inschrijvers, in het stadium van de gunning van een overheidsopdracht, een beschrijving te vragen van hoe zij de werken, rekening houdend met het V&G-plan, zullen uitvoeren. Ofwel is het V&G-plan voldoende nauwkeurig (de werken kunnen bijvoorbeeld op slechts één manier worden uitgevoerd) of de precieze aard, plaats of omvang van de werken is op het ogenblik van de gunning nog niet gekend. Ook de opvraging van de afzonderlijke prijsberekening kan zinloos zijn, bv. omdat het slechts om zeer algemene preventiemaatregelen en middelen gaat, of omdat de samenvattende meetstaat specifieke posten voor specifieke veiligheidsmaatregelen bevat.


De verplichte toevoeging van deze twee documenten (beschrijving van de uitvoeringswijze en afzonderlijke prijsberekening) leidde bij het plaatsen van overheidsopdrachten al vaker tot problemen. Blijken de in het bestek gevraagde documenten te ontbreken, dan kan er een probleem rijzen wanneer de regelmatigheid moet worden beoordeeld van de offertes die deze formaliteit niet vervulden. Een uitgebreide rechtspraak bracht niet altijd een eenduidig antwoord.


Art. 159 van het KB Plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011 wijzigde daarom het voormelde art. 30 van het KB betreffende de tijdelijke en mobiele bouwplaatsen zodat de twee voormelde documenten tegenwoordig grotendeels kunnen (facultatief) worden opgevraagd. Alleen wanneer de Veiligheidscoördinator-Ontwerp van de inschrijvers een uitvoerige beschrijving verlangt van de wijze waarop zij hun werken of sommige delen daarvan willen uitvoeren, en/of meent dat een afzonderlijke prijsberekening nuttig is om de offerte te beoordelen, is de aanbestedende overheid verplicht de beschrijving van de uitvoeringswijze en de afzonderlijke prijsberekening te vragen. Het is aan de VC-Ontwerp om te preciseren voor welke elementen hij die informatie wenst, om van de inschrijvers nuttige en duidelijke informatie te verkrijgen.


Motiveert de Veiligheidscoördinator-Ontwerp niet waarom die informatie moet worden opgevraagd, dan is de aanbestedende overheid niet langer verplicht beide documenten in de gunningsfase op te vragen. De opvraging wordt dan facultatief. Door de vele betwistingen omtrent de regelmatigheid van offertes die de door het bestek opgelegde formaliteiten niet vervullen, verdient het aanbeveling geen documenten te eisen die niet echt noodzakelijk zijn.


In de praktijk stellen we vast dat de aanbestedende overheid nauwelijks gebruik maakt van het gewijzigde art. 30 van het KB op de Tijdelijke en Mobiele bouwplaatsen en dat de bestekken stelselmatig voorschrijven om de V&G-documenten, al dan niet op straffe van nietigheid van de offerte, bij de offerte te voegen, ook al motiveert de VC-Ontwerp niet waarom hij over de documenten bepaald door art. 30 1° en 2° van voormeld KB dient te beschikken.


De Raad van State oordeelde in zijn arrest van 11 februari 2014 evenwel dat offertes die de door het bestek gevraagde documenten niet bevatten, moeten worden gesanctioneerd en onregelmatig moeten worden verklaard. De Raad van State is van oordeel dat de vernieuwde versie van art. 30 de aanbestedende overheid niet belet om de toevoeging van die documenten in het bestek voor te schrijven, maar de aanbestedende overheid hier weliswaar toe verplicht als de VC-Ontwerp de noodzaak daarvan motiveert. M.a.w. de toevoeging in het bestek voorzien is facultatief, maar daarentegen verplicht als de VC-Ontwerp de toevoeging expliciet verantwoordt.


Zodra het bestek bepaalt dat de documenten moeten worden toegevoegd, moeten de inschrijvers die formaliteit vervullen. Doen zij dit niet, dan kan de regelmatigheid van de ingediende offerte in het gedrang komen. Een voor het overige regelmatige laagste offerte om die reden als onregelmatig moeten weren, blijft een spijtige zaak.


Het is dan ook aanbevolen om de toevoeging van de Veiligheids- en Gezondheidsdocumenten in de gunningsfase niet standaard in het bestek op te nemen. Beter is het de toevoeging enkel op te leggen wanneer de VC-Ontwerp motiveert waarom de informatie voor hem noodzakelijk is om de conformiteit met het V&G plan te beoordelen.


De wetgever heeft de formaliteiten in de gunningsfase versoepeld. Aan de VC-Ontwerp en aan de ontwerper, gelast met de opmaak van het bestek, om hier gebruik van te maken.

 

Marijke Evens
Bedrijfsjuriste NV Protect

 

 

terug naar overzicht